Verheug je! Wees blij! Het klinkt zo heerlijk positief en opbouwend. We bewegen steeds dichter naar Kerst toe. In de straten branden er gezellige lichtjes, huizen zijn versierd en kaarten worden verstuurd. Het ziet er prachtig uit. De periode rond Kerst is een geweldige tijd die gevoelsmatig niet lang genoeg kan duren. Tegelijkertijd lezen we in de nieuwsberichten over de ellende ver weg en dichter bij. Oorlogen, mensen die in armoede leven, er is spanning genoeg. Om dan te zeggen: “Verheug je!” Je moet het maar durven. In sommige kerken wordt gezegd dat als je maar genoeg bidt, het vanzelf goed komt. Er wordt een welvaartsevangelie verkondigd. Het goede in je leven geldt als geschenk en als beloning voor correct gelovig gedrag. God geeft voorspoed als jij het goed doet. Tegelijk wordt alles wat moeilijk is teruggelegd bij de mens zelf. Financiële zorgen, ziekte en tegenslag krijgen dan het stempel dat iemand ergens iets verkeerd heeft gedaan. Dat is natuurlijk een onjuist beeld. Het doet Gods liefde tekort en is niet wat Hij ons voorhoudt in het Evangelie. Jezus belooft ons nabij te zijn, juist als het leven ingewikkeld wordt. Daar mogen we onze hoop in stellen.
Gelovig zijn is echter nooit een garantie dat het leven leuk en makkelijk verloopt. Dit zien we ook in het Evangelie. Johannes de Doper, die vorige week nog de Roepende in de woestijn was, zit nu gevangen. Hij riep op tot bekering. Daarbij sprak Johannes zich ook uit tegen koning Herodes die ervandoor was gegaan met zijn eigen schoonzus. Dit werd niet op prijs gesteld en zou Johannes later met de dood moeten bekopen. Nu zit hij nog in de cel en overweegt zijn leven. Al in de moederschoot wijst hij naar Christus. Hij springt op bij het geluid van Maria’s stem. Hij wijst Jezus aan als het Lam van God. Hij maakt ruimte voor de Heer. Dat is zijn leven, dat is zijn roeping. Althans, dat dacht hij. De twijfel slaat toe. Is Jezus wel de Messias of heeft hij het toch verkeerd gezien? De Heer beantwoordt zijn twijfels met het benoemen van wat er zichtbaar is; Hij geeft blinden weer de mogelijkheid om te zien, wonderen gebeuren en de Blijde Boodschap wordt gedeeld. Jezus geeft niet zomaar een opsomming van wat Hij allemaal doet. Hij citeert Jesaja, onze eerste lezing. Hij laat zien dat wat er in de Schriften staat, nu in vervulling gaat. Je moet de tekenen van de tijd alleen wel kunnen verstaan.
Jakobus houdt ons dat in de tweede lezing voor. Hij gebruikt het beeld van de boer die wacht op de kostbare vrucht van het land. Die boer staat niet langs de akker om te kijken of het gras al groeit. Dat heeft geen zin. Wachten is ook geen achteroverleunen. Vooraf heeft hij de aarde bewerkt, gezaaid en verzorgd. Daarna laat hij los wat hij niet kan afdwingen. Zo wijst Jakobus ons een houding aan die bij het geloof past. Doen wat ons gegeven is om te doen en geduldig vertrouwen op wat alleen God kan laten groeien.
Het klinkt mooi dat we geduld moeten hebben, met een beetje geloof, hoop en liefde. Wie nu of ooit in een moeilijke periode zit, weet hoe pijnlijk zulke woorden kunnen klinken. Ze worden al snel een doekje voor het bloeden. “Wacht maar af, alles komt goed”. Johannes had daar in zijn cel weinig aan. In ons gelovig leven wisselen mooie en moeilijke momenten elkaar af. Wie ooit een vurig geloof heeft ervaren, vol zekerheid en bevestiging, kan diep geraakt worden wanneer de twijfel zich aandient. Zekerheden verdwijnen. Een uitroepteken wordt een vraagteken. Het is makkelijk om daar vanop afstand een oordeel over te vellen, zeker als we kijken naar grote heiligen die ons zijn voorgegaan. Bijvoorbeeld: Johannes van ’t Kruis. Hij had een diepe relatie met God. Tot die ervaring wegviel. Hij noemde dit later de Donkere nacht. Gods nabijheid voelde hij niet meer. Dichter bij onze tijd kennen we Moeder Teresa. Zij werkte als zuster in het onderwijs en verliet de zekerheid van het klaslokaal om dienstbaar te zijn aan de armsten in Calcutta. Dit noemde zij een roeping binnen haar roeping. In die weg ervoer zij Gods nabijheid, tot die ervaring wegviel. Dertig jaar was het stil. Johannes van ’t Kruis en Moeder Teresa hadden in hun vertwijfeling één ding gemeen. Ze hielden vol. Ze gingen de verlatenheid niet uit de weg, maar erdoorheen. In de droge woestijn bleven zij hun hoop stellen op God. Ze bewaarden hun geduld.
Dat voorbeeld is het navolgen waard. Het begint met het aanvaarden van vertwijfeling. Vraagtekens mogen er zijn. Een geloof dat geen vragen meer stelt, verhardt en verstart. Het verliest zijn beweeglijkheid. Geloven vraagt om kwetsbaarheid. Het is geen exacte wetenschap, maar groeien in een relatie met de levende Heer. Daarbij is het belangrijk om de tekenen van de tijd te leren zien. Dat vraagt om aandacht. Door de ruis en afleiding heen ontdekken we waar God aan het werk is. In mensen die elkaar tot steun zijn, zoals die patatbakkers die naar Oekraïne reizen om friet en troost te brengen. In kleine tekenen van hoop. In momenten die leven geven, soms anders dan wij hadden verwacht of gewenst. Advent helpt ons daarbij. Het begint klein, met één kaarsje. Elke week komt er licht bij. Zo groeien we, stap voor stap, naar Kerst toe en mogen wij de Heer steeds opnieuw ontvangen. Verheug je. Amen.
Reacties
Een reactie posten