Als ik een fatbike zie, heb ik mijn mening eigenlijk al snel klaar. Die patserige dikke banden roepen meteen een bepaald beeld op en daar hoort in mijn hoofd ook een bepaald type fietser bij. Het oordeel vormt zich bijna vanzelf, terwijl ik die ander helemaal niet ken. Beeldvorming doet nu eenmaal zijn werk. Hetzelfde gebeurt als je denkt aan bepaalde mensen. Neem een Hagenees in gedachten en de beelden komen naar voren. Je hoort het accent al, met lange klanken en wat zangerig. Het beeld kleurt zich vanzelf in. Ooit vroeg ik aan jongeren om een christen uit te beelden. Op een flipover stond een silhouet getekend en zij mochten aanvullen waar je een christen aan kan herkennen. Welke kleding draagt hij? Wat wordt er gezegd en gedaan, of juist gelaten. De groep ging enthousiast aan de slag. Er werd van alles bijgetekend en opgeschreven. Een zichtbaar kruisje mocht natuurlijk niet ontbreken, net als een rozenkrans. Schelden hoorde er zeker niet bij, en eigenlijk sprak deze christen alleen maar mooie, opbouwende en gelovige woorden. Het uiterlijk was verzorgd, het gedrag vriendelijk, en ergens ontstond het beeld van iemand die altijd vrolijk en in balans was. Langzaam groeide er zo een prachtig ideaalbeeld van een christen. Tot ik de vraag stelde wie zichzelf in dat beeld herkende. Toen bleek hoe knellend dat ideaal eigenlijk was. Want terwijl we daar zaten, ieder met onze eigenheid, onze vragen en onze tekortkomingen, moesten we eerlijk toegeven dat we niet in dat plaatje passen. We herkenden ons er zelfs niet in. Daar ligt dan ook een misverstand. We denken soms dat we aan een bepaald ideaal moeten voldoen om christen te kunnen zijn. Dat proberen we dan te vangen in bepaalde eigenschappen, die het liefst zichtbaar en meetbaar zijn. Terwijl het iets is dat zich van binnen afspeelt. Een christen herken je niet in de eerste plaats aan een plaatje, maar aan een manier van leven: leven vanuit dankbaarheid, als iemand die het kruis opneemt en in beweging komt. Dat klinkt in deze Paas-drie-daagse in de lezingen en de liturgie door. Vandaag zullen we stilstaan bij de dankbaarheid.
Dit zit namelijk diep in onze traditie verankerd. Het begint al bij het joodse Paasfeest dat Jezus en zijn vrienden gaan vieren. Dit is niet zomaar een gezellig familiediner, maar het houdt een spiegel voor. Dit zien we in de eerste lezing. Het joodse volk bevindt zich in Egypte. Daar werken ze als slaven en worden gezien als tweederangs burgers. Ze roepen hun pijn biddend uit richting God, wellicht wel tegen beter weten in. Dan blijkt God hen wel te horen en nog beter: Hij zal hen bevrijden. Mozes vertelt aan het Volk dat ze ter voorbereiding de maaltijd moeten gebruiken. Die maaltijd moeten ze jaarlijks herhalen, als een levendige herinnering dat God met hen onderweg is en hen niet loslaat. Ter ere van God blijven ze dat vieren. Jezus viert ditzelfde feest met zijn vrienden. Paulus schrijft erover in zijn brief. De Heer verandert het feest alleen. Hij toont aan dat God niet alleen toen met het Volk onderweg was, maar dat Hij nog steeds nabij is en blijft. De Heer gaat een verbond met ons aan en dat brengen we steeds in herinnering als we Eucharistie vieren. Niet eens per jaar, maar elke dag weer.
Eucharistie betekent dankbaarheid. Vanuit die dankbaarheid leven we door te bidden met open handen, zodat God ze kan vullen.
Op die manier houdt dankbaarheid ook een opdracht in, om dat wat we ontvangen ook weer door te geven. Naast de instelling van de eucharistie vieren we vandaag ook de dienstbaarheid. Concreet komt dit in uiting in de voetwassing, zoals we dat in het Evangelie hoorden en straks zullen uitvoeren. Christus zelf stelt die dienstbaarheid in. Hij maakt zich klein om de taak van een bediende uit te voeren. Niemand had het hem kwalijk genomen als Hij aan een van zijn leerlingen deze rol had overgelaten. Waarschijnlijk hadden ze het ook met liefde gedaan. Jezus toont aan dat dankbaarheid en dienstbaarheid, Eucharistie en Diaconie, bij elkaar horen. Ze zijn niet los verkrijgbaar, maar innig met elkaar verbonden.
Dat geven lukt vaak wel. De uitdaging ligt bij het ontvangen en dat is gelijk een uitnodiging. Die worsteling zien we al bij Petrus. Hij kan het niet accepteren dat Jezus hem de voeten wil wassen. Dat is de verkeerde volgorde, zo hoort het niet. Vervolgens schiet hij heerlijk door: “Doe dan maar alles!”
Helpen gaat ons vaak goed af. Geholpen worden is een ander verhaal. Ontvangen maakt namelijk kwetsbaar. We moeten dan vertrouwen hebben in de ander, laten zien dat we hulp nodig hebben. Ontzettend ingewikkeld om toe te geven en nog moeilijker om te accepteren.
Als christen leven we vanuit een eucharistische houding, vanuit dankbaarheid. Het lijkt op wat we in iedere Mis weer doen. Het begint niet bij onszelf, maar bij God. Eerst hebben we oog voor waar we Gods barmhartigheid nodig hebben. Waar schieten we tekort en moeten we vragen om vergeving? Niet om ons klein te maken, maar om te zien waar wij kunnen groeien in Zijn liefde. Vervolgens mogen we God loven voor al het goede dat Hij ons geeft. Niet omdat alles perfect gaat, maar wel omdat God goed is. Daarna kunnen we vragen stellen, door te zien wat er nodig is in onze omgeving, in de wereld waarin wij leven en voor onszelf. Zo leert de Mis steeds hoe wij kunnen leven. Vanuit een dankbare houding, met open handen, die God mag vullen. Het betekent niet dat het leven geen uitdagingen kent. We hebben onze kruizen te dragen. Daar gaan we morgen mee verder. Amen

Reacties
Een reactie posten