Het beeld van de hemel inspireert mensen door de eeuwen heen, van kunstenaars die dit prachtig uitbeelden tot anderen die eigenlijk alleen maar kunnen stamelen omdat ze het niet onder woorden kunnen brengen. Allemaal hebben we onze eigen beelden van wat er na onze dood gebeurt. Sommigen zien zichzelf misschien al met een harpje op een wolkje zitten, bij anderen gaan de gedachten uit naar een mooie plaats en weer anderen hebben geen idee en hopen er het beste van, of verwachten zelfs niets. Alle beelden schieten tekort, want simpelweg: we weten het niet. Het is iets waar we vol gelovig vertrouwen naar uit mogen zien.
Jezus reikt ons in het evangelie een beeld aan. Als iemand er iets over kan zeggen, is Hij het wel. We bevinden ons rond het Laatste Avondmaal en Jezus bereidt zijn vrienden voor op het naderende afscheid. Daarbij geeft Hij hun een perspectief: het huis van de Vader, met vele verblijven. Daar bereidt Hij een plaats voor en daar mogen wij naar uitzien. Gelukkig vraagt Tomas hoe we de weg kunnen vinden. Jezus zelf is de Weg die naar het leven leidt. Door Hem leren we God beter kennen en blijven we op het goede spoor.
We hoeven niet alles precies te weten en te begrijpen, zolang we de weg maar met Jezus gaan.
In het Bijbelboek Handelingen zien we hoe de eerste leerlingen die weg van Jezus concreet gaan. Ze hebben de Geest ontvangen en blijven niet stilzitten. Ze moeten spreken: over Jezus, hun ervaringen. Ze delen de Blijde Boodschap. Tegelijk komen ze samen om te bidden, om het brood te breken en om hun geloof te vieren. Ze hebben oog voor elkaar, vooral voor wie kwetsbaar is en dreigt vergeten te worden. Dat gaat niet vanzelf. Dat ideaal van samenleven botst al snel met de werkelijkheid. Er ontstaan spanningen tussen verschillende groepen. Mensen voelen zich achtergesteld en laten van zich horen. Dat is confronterend, maar ook eerlijk. Het laat zien dat de weg van de Kerk geen rechte lijn is, maar een weg van vallen en opstaan. Juist daar maken de leerlingen een belangrijke keuze. Ze nemen het probleem serieus en zoeken naar een oplossing. Ze stellen diakens aan, zodat de zorg voor de gemeenschap niet tussen wal en schip valt. Zo krijgt de dienst aan elkaar een vaste plaats. Spreken over het geloof, samen vieren en zorg dragen voor elkaar horen bij elkaar. Als één ontbreekt, raakt het geheel uit balans. Wie alleen spreekt maar niet dient, wordt leeg. Wie alleen dient maar de bron vergeet, raakt de richting kwijt. Als gelovigen staan wij in diezelfde beweging. Ieder op zijn eigen plaats en elkaar aanvullend. Zo proberen we Jezus’ weg te gaan.
Die gaan we zoekend en tastend. Jezus heeft de deur geopend en wijst ons de richting. Hij gaat ons voor. We moeten niet voor de Heer uit willen lopen, maar vol vertrouwen leerling zijn en blijven. Dat is niet altijd gemakkelijk, want diep van binnen verlangen we naar zekerheid. Het einddoel moet duidelijk zijn, het liefst met alle tussenstappen helder uitgeschreven. We willen weten hoe alles zit, wat goed en fout is en wie er wel of niet bij hoort. Het is een’ roep om duidelijkheid, misschien zelfs om controle. Dan gebeurt het gemakkelijk dat we elkaar gaan vertellen hoe die weg eruit moet zien. We denken het zelf goed te weten en alles daarbuiten is fout. We trekken onze eigen grenzen en hebben een oordeel klaar. Vaak goed bedoeld, vanuit zorg om het geloof, maar zo gaan we wel op de stoel van de Heer zitten. Dat kan niet de bedoeling zijn. Het evangelie reikt ons juist een andere houding aan. We zijn geen mensen die de weg bezitten, maar zijn tochtgenoten, die elkaar dragen als het moeilijk wordt, die elkaar bemoedigen en soms ook terechtwijzen, maar altijd met ruimte. We zijn op weg naar God, naar dat huis met vele woningen waar Jezus over spreekt. Een huis met ruimte, met openheid. De grenzen daarvan kunnen wij niet trekken. Dat ligt niet in onze handen. Wij kennen de weg, want wij kennen Jezus, maar wij bezitten hem niet. Het vraagt om vertrouwen en om nederigheid. Dat we durven erkennen dat ons zicht beperkt is, dat we niet alles begrijpen en niet alles kunnen overzien. Juist daarin ligt ook rust, want het betekent dat het niet van ons afhangt. Gods barmhartigheid is groter dan onze ideeën, groter dan onze grenzen, groter zelfs dan onze verbeelding. Aan die barmhartigheid mogen wij ons toevertrouwen.
Ons geloof is gebaseerd op de relatie met Christus. De weg die Hij ons wijst is geen schema dat we kunnen uittekenen, maar een leven dat we stap voor stap leren gaan, soms met vertrouwen, soms zoekend, soms aarzelend, maar altijd met Jezus die ons voorgaat. Die weg blijft niet vaag of ongrijpbaar. We zien hem concreet worden in hoe wij als Kerk proberen te leven. We spreken en leren over ons geloof en zoals die leerlingen toen worden ook wij uitgenodigd om het niet voor onszelf te houden. Tegelijk komen we samen om te vieren. Zo worden we gevoed en richten we ons hart steeds opnieuw op de Heer. Van daaruit groeit iets dat zichtbaar wordt in het dagelijks leven: aandacht voor elkaar, zorg voor wie kwetsbaar is. Juist daar krijgt die weg gestalte, niet in woorden alleen, maar in wat we doen. Spreken, vieren en dienen horen bij elkaar. Als één ontbreekt, raakt het geheel uit balans. Geloof dat niet gedeeld wordt, verstilt. Vieren zonder liefde naar de ander blijft leeg. Dienen zonder bron raakt uitgeput. Gelukkig staan we daar niet alleen voor, maar gaan we die weg samen. Als gelovige mensen hoeven we niet alles te begrijpen of te overzien hoe het er uiteindelijk uitziet. Voor nu gaan we op weg met Jezus, de Ware Weg die naar het Leven leidt, vol vertrouwen in Gods barmhartigheid, die altijd groter is dan wij ons kunnen voorstellen. Amen.

Reacties
Een reactie posten