Vorige week mocht ik mee op zomerkamp. Met zo’n 60 kinderen tussen de 8 en de 18 jaar hebben we er een mooie week van gemaakt. Naast sport en spel was er ook ruimte voor bezinning door samen te bidden en dagelijks een Bijbeltekst te bespreken. De deelnemers gingen hier op verschillende manieren mee om. Voor sommigen is het een verplicht stukje corvee. voor anderen is het iets waar ze naar uitkijken, maar voor de meesten is het iets dat gewoon bij het zomerkamp hoort en biedt het ook een welkom rustmoment tussen alle drukte door. In deze week groeide bij mij ook weer het respect voor de kookstaf. Dagelijks moesten zij voor 80 man weer een maaltijd op tafel toveren. Waarbij ze rekening moesten houden met allergieën, tijdsschema’s en hongerige pubers. Die gasten eten namelijk alles wat los en vast zit. Op de tweede dag was de rijst nog niet helemaal gaar. Aan de verschillende tafels keken verbaasde blikken op, er verschenen wat lange tanden want de afspraak is wel dat het bord leeggegeten wordt. In alle kampliederen kwam het ook terug. De pubers hadden hier geen last van. De onuitputtelijke honger won het en ze aten alle potten en pannen leeg, met een bordje vla toe.
Het is belangrijk om rekening te houden met ieders behoefte. Tijdens zo’n week is goed eten belangrijk, want als de maaltijd tegenvalt doet dat ook iets met de sfeer, zeker als de vermoeidheid toeneemt. Gelukkig was dat de hele week goed voorzien. In het Evangelie horen we vandaag dat Jezus uitwijkt. Hij heeft net gehoord dat Johannes de Doper onthoofd is. De Heer besluit een eenzame plek op te zoeken. Waarschijnlijk om even de rust te vinden en het verdriet een plek te geven. Die rust wordt Hem niet gegund, zo blijkt, want men loopt Hem achterna. Als Hij de menigte ziet, is Hij door medelijden bewogen. In het Grieks staat er dat Hij tot in zijn ingewanden, tot in Zijn binnenste geraakt is. Ook staat er dat Hij de zieken geneest. Dit Griekse woord (ἀρρώστους) kan ook vertaald worden als ‘zonder kracht’. De diepe bewogenheid van Jezus geeft kracht aan wie zonder krachten is. De vrienden van Jezus en de Heer zelf komen tot dezelfde conclusie. Men heeft eten nodig. Met deze constatering gaan ze alleen anders om. De leerlingen willen ze weg sturen, zodat ieder een eigen maaltijd bij elkaar kan sprokkelen. De eigen verantwoordelijkheid nemen. Jezus laat zijn hart spreken en verricht een teken. Hij geeft brood aan de mensen. Daarmee laat Hij zien dat God de mens in zijn geheel ziet. De honger van de menigte is niet alleen geestelijk, maar ook heel concreet. Daarom begint Jezus niet met een preek, maar met brood.
Jezus deelt de verantwoordelijkheid. Zeker als Hij tegen de leerlingen zegt: Jullie moeten hen maar te eten geven. Hier ligt een taak voor de Kerk en dus voor ons allemaal: de ander voeden naar lichaam en geest.
We moeten delen van wat wij hebben, praktisch, maar ook geestelijk. Als we alleen maar voedsel uitdelen, maar nooit delen vanuit welke inspiratie wij dat doen, dan mist er iets. Als we alleen maar over Jezus spreken, maar nooit de handen uit de mouwen steken; dan valt die boodschap ook niet in goede aarde. We delen vanuit de overvloed die God ons geeft. In de eerste lezing (cf. Jesaja 55,1-3) houdt de profeet Jesaja ons voor dat we mogen kopen zonder geld. Deze tekst is gericht tot de joden die zich in de ballingschap bevinden. Ver van Jeruzalem en daardoor ook ver van hun geloof. Jesaja spreekt over de overvloed van het heil dat God aanbiedt. Dat is gratis, in de zin van gratie: een geschenk, een genade. De profeet lijkt een boodschappenlijstje op te sommen, melk en wijn. Spijs. Dit heeft een diepere laag. We moeten ons laten voeden door God en vervolgens kunnen we dat delen met de mensen om ons heen.
Het is dan verleidelijk om met de blik van de leerlingen om ons heen te kijken. Je wilt wel iets doen; natuurlijk. Maar de beren op de weg zijn zichtbaarder dan de mogelijkheden. Onmogelijkheden staan op de voorgrond en liever schuif je het door naar een volgend loket. Jezus toont ons iets anders. Hij ziet de kansen, want Hij kijkt vanuit Gods overvloed. Hij vraagt niet eerst wat wij missen, maar wat wij wél hebben. Vijf broden en twee vissen lijken niets, maar in zijn handen worden ze genoeg. Dat vraagt vertrouwen. Niet rekenen vanuit onze mogelijkheden, maar vanuit Gods genade.
Tijdens het zomerkamp werd ik geraakt door hoe de deelnemers met elkaar omgingen. Vriendschappen werden gesloten, er werd samen gespeeld, gebeden en gezongen. Geloven werd gedeeld. Tijdens de laatste avond kwam een jongere naar mij toe. Elke avond gingen zij rond 23 uur wel naar de slaapzalen, maar op die laatste avond zou het later worden. Waarschijnlijk wel tot na 12 uur ’s nachts en dat bood hem een kans. Zijn moeder bidt namelijk thuis het gebed het Engel des Heren. Dat doet zij om 12 uur ’s middags en 6 uur in de avond. Je kan het natuurlijk ook om 6 uur ’s ochtends en 12 uur ’s nachts bidden, zo betoogde hij. De ochtend vond hij iets te ver gaan, maar hij kon het nu wel om middernacht bidden. Dat wilde hij wel meemaken en zijn voorstel was om dit samen te doen. De jongeren droegen geen horloges en telefoons waren afwezig, dus ik stelde voor om hem rond middernacht op te zoeken, maar wel met de gedachte: ‘als jij het naar je zin hebt tijdens de disco, dan is dat ook goed.’ Om 11.45 uur zocht een van de leiding mij op. Hij noemde dat die knul steeds naar de tijd vroeg om samen te kunnen bidden. Om middernacht, terwijl sommigen nog dansten op de disco en anderen bij het kampvuur zaten, sloegen wij een kruisteken en baden: “De Engel des Heren heeft aan Maria geboodschapt…” Deze jongeman liet aan mij zien waar hij zijn voeding vindt. Dit deelde hij en werd zo weer een voorbeeld voor mij. Amen.
Afbeelding: Uit de Codex Egberti, rond 990 via wikipedia

Reacties
Een reactie posten