Dat
is precies de situatie waarin de leerlingen zich bevinden. Nog maar kort
daarvoor hadden zij een wonder meegemaakt. Jezus had vijfduizend mensen te eten
gegeven met vijf broden en twee vissen. Daarna stuurt Hij de leerlingen
vooruit, terwijl Hijzelf de berg opgaat om in stilte te bidden. De leerlingen
varen het meer op en al snel steekt de storm op. De golven slaan tegen de boot.
Deze mannen waren wel iets gewend. Velen van hen waren vissers en kenden het
meer. Maar deze storm is anders. Wanneer zij Jezus over het water zien komen,
denken zij zelfs dat Hij een spook is. De angst beneemt hun het zicht. Jezus
stelt hen gerust. Petrus vraagt: "Heer, als U het bent, zeg mij dan dat ik
over het water naar U toe moet komen." Vervolgens stapt hij uit de boot.
Zolang zijn blik op Jezus gericht blijft, gaat het goed. Maar zodra hij meer
oog krijgt voor de wind dan voor Jezus, slaat de angst toe en begint hij te
zinken. In zijn nood roept hij: "Heer, red mij!" Meteen steekt Jezus
zijn hand uit en grijpt hem vast.
In
de storm van ons leven verliezen wij gemakkelijk het zicht op Jezus, terwijl
Hij zijn hand steeds naar ons uitsteekt. Hij verliest ons nooit uit het oog.
Ook
de profeet Elia wist wat stormen waren. Niet alleen stormen in de natuur, maar
ook stormen in zijn eigen leven. De koning zat hem op de hielen en wilde hem
doden. Elia sloeg op de vlucht. Hij raakte uitgeput, ontmoedigd en zag het
leven eigenlijk niet meer zitten. God geeft hem te eten, schenkt hem nieuwe
kracht en nodigt de profeet uit om Hem te ontmoeten. Dan gebeurt iets
bijzonders. Elia verwacht God in de storm, in de aardbeving en in het vuur.
Maar God openbaart zich niet in het geweld. Hij komt in het zachte suizen van
de wind. Niet overweldigend, maar levengevend. In het evangelie gebeurt iets vergelijkbaars.
De storm gaat niet meteen liggen. Eerst komt Jezus zelf. Midden in de storm
klinkt zijn stem: "Ik ben het. Wees niet bang." Gods antwoord is niet
altijd dat de storm onmiddellijk verdwijnt. Zijn eerste antwoord is vaak zijn
eigen aanwezigheid. De heilige Augustinus ziet in de boot een beeld van de
Kerk. De zee blijft woelig en de stormen blijven komen, maar hij zegt: stap
niet uit de boot. Juist daar komt Christus ons tegemoet. Niet omdat de Kerk
volmaakt is, maar omdat Christus haar niet loslaat.
Soms
hoor je weleens zeggen: "Ik geloof wel, maar ik heb de Kerk niet
nodig." Dat klinkt aannemelijk zolang de zee rustig is en het leven
voorspoedig verloopt. De realiteit is een andere. Juist wanneer het stormt, ontdekken
we hoe belangrijk de Kerk is. Dat is breder dan het kerkgebouw. De Kerk is de
plaats waar mensen elkaar dragen, waar Gods Woord klinkt, waar de sacramenten
worden gevierd en waar Christus zelf aanwezig is en we Hem steeds weer
herkennen. Paus Franciscus noemde de Kerk eens een veldhospitaal. Een plaats
waar wij mogen komen zoals wij zijn. Met al het goede dat we te bieden hebben
en de fouten die we met ons meedragen. We mogen er komen met onze vragen,
verdriet en hoop. Met onze wonden. Juist daar steekt Christus ook vandaag zijn
hand naar ons uit.
Ook
wij zullen stormen meemaken. Niemand blijft daarvan gespaard. Soms zijn het
zorgen om onze gezondheid, spanningen in een gezin, verdriet om iemand die we
missen of onzekerheid over de toekomst. Juist dan klinkt vandaag de stem van
Jezus: "Ik ben het. Wees niet bang." Misschien verliezen wij Hem soms
uit het oog. Dat overkomt de leerlingen en dat overkomt ook ons. Maar één ding
verandert nooit: Christus verliest ons nooit uit het oog. Daarom mogen wij, ook
midden in de storm, onze hand uitsteken naar Hem die de zijne allang naar ons
heeft uitgestoken. We baden het in het openingsgebed. Misschien heeft u het
gehoord, wellicht is het langs u heen gegaan, bidden we het daarom nogmaals:
“Heer God, Gij doet uw woord gestand, Gij zijt getrouw. Kom ons ongeloof te
hulp, laat niet toe dat wij ten onder gaan in twijfel. Neem ons bij de hand,
zodat wij uw almacht ondervinden. Door Christus, onze Heer. Amen”.

Reacties
Een reactie posten