Als christenen strooien we soms gemakkelijk met woorden van vergeving. Wanneer iemand gekwetst of teleurgesteld is, klinkt al snel: probeer de ander te vergeven. Dat is goed voor die ander en uiteindelijk ook voor jezelf. Daar zit natuurlijk waarheid in. Boosheid en pijn kunnen beklemmend werken. Je kunt zo vast komen te zitten in wat een ander jou heeft aangedaan, dat het je blijft bezighouden. Hetzelfde kan gebeuren wanneer je aan de andere kant staat. Schuldgevoelens kunnen zwaar op je drukken en maken dat je jezelf in de weg blijft zitten. Toch moeten we van vergeving geen gemakkelijke one-liner maken. Daarvoor kunnen pijn, schuld en teleurstelling veel te diep gaan. Soms zijn relaties ernstig beschadigd. Soms draag je iets jarenlang met je mee. En soms weet je met je verstand heel goed dat je zou moeten vergeven, terwijl je gevoel daar nog helemaal niet aan toe is. Vergeving is belangrijk, misschien wel een van de kernen van ons gelovig leven, maar daarmee is het nog geen gemakkelijke weg.
Dat
vergeven niet vanzelf gaat, zien we vandaag ook bij Petrus. Hij stapt op Jezus
af met een heel concrete vraag: “Hoe vaak moet ik vergeven? Zeven keer?” Petrus
denkt waarschijnlijk al goede sier te maken en verwacht wellicht een
schouderklopje, maar Jezus lijkt er een rekensom tegenover te zetten: de ander
moet je niet zeven keer, maar zeventigmaal zevenmaal vergeven. Het gaat er nu
niet om dat we uitrekenen hoeveel dat precies is. Het is een symbolisch getal.
Jezus maakt duidelijk dat vergeving zich niet laat begrenzen. Jezus doet niet
aan scorebordjournalistiek. Barmhartigheid laat zich niet uitrekenen, vergeving
is zonder maat. Dat maakt Hij duidelijk met de gelijkenis van een dienaar aan
wie een onvoorstelbaar grote schuld wordt kwijtgescholden. De man smeekt om
geduld, maar krijgt uiteindelijk veel meer dan hij vraagt. Zijn heer scheldt
hem alles kwijt. Dan gebeurt er iets vreemds. Diezelfde dienaar komt een
collega tegen die hem veel minder schuldig is. Ineens is alle ruimhartigheid
verdwenen. Hij grijpt hem vast en eist zijn geld terug. Zelf heeft hij
overvloedige barmhartigheid ontvangen, maar wanneer hij diezelfde
barmhartigheid moet doorgeven, stokt het.
Willen
we leven uit de onuitputtelijke bron van Gods barmhartigheid, dan zullen we die
barmhartigheid ook moeten delen. Dat is precies de lijn die ook Jezus Sirach
vandaag trekt. Hij stelt eigenlijk een ongemakkelijke vraag. Hoe kun je God om
vergeving vragen en tegelijkertijd de schuld van een ander blijven vasthouden?
Hoe kun je verlangen dat God jou met barmhartigheid aankijkt, terwijl je zelf
weigert met barmhartigheid naar een ander te kijken? Diezelfde beweging vinden
we terug in het Onze Vader: “vergeef ons onze schulden, zoals ook wij vergeven
aan onze schuldenaren”. Wij vragen God niet alleen om vergeving. In dezelfde
zin verbinden we die vergeving met de manier waarop wij zelf met de schuld van
een ander omgaan. Ontvangen en doorgeven horen blijkbaar bij elkaar. Dat heeft
alles te maken met wie wij ten diepste zijn. God heeft ons geschapen uit liefde
en voor de liefde. Wij zijn geschapen om God en elkaar lief te hebben. Daar
ligt ons geluk, hier en in het hiernamaals. We weten ook dat het leven niet
altijd zo loopt. We maken fouten. We kwetsen anderen. We schieten tekort in de
liefde. Dat is wat we zonde noemen. Zonde betekent dat wij het doel missen
waarvoor wij geschapen zijn. Daarmee beschadigen we onze verhouding tot God,
tot anderen en soms ook tot onszelf. Juist daarom hebben wij Gods
barmhartigheid nodig. Niet als doekje voor het bloeden en ook niet omdat het
allemaal wel meevalt. Barmhartigheid zegt niet: laat maar zitten. Maar: je
hoeft niet voorgoed vast te zitten in wat misging. God wil je opnieuw op weg
helpen naar het doel waarvoor Hij je geschapen heeft. Dat geldt ook voor
onszelf. Soms geloven we wel dat God barmhartig is, maar vinden we het veel
moeilijker om te geloven dat die barmhartigheid werkelijk ook voor ons geldt. Onze
eigen fouten kunnen we soms scherp zien en daar onszelf steeds weer op
afrekenen. Daarom moeten we niet alleen leren vergeven, maar ons ook durven
láten vergeven. Gods oordeel over ons kan barmhartiger zijn dan ons eigen
oordeel.
Daarmee
is vergeven nog steeds niet gemakkelijk. Het betekent niet dat we alles maar
onder het tapijt moeten vegen. Vergeven is niet vergeten. Het betekent niet dat
het kwaad ineens geen kwaad meer is, of dat alles direct weer bij het oude is.
Vergeving betekent wel dat het kwaad niet het laatste woord krijgt. Wrok en
boosheid kunnen zich vastzetten en steeds meer ruimte innemen. Dan draag je
niet alleen de pijn van wat gebeurd is, maar blijf je die pijn telkens opnieuw
met je meedragen. Juist daar kan vergeving ademruimte geven. Niet omdat alles
ineens opgelost is. Niet omdat de ander ineens gelijk krijgt. Maar omdat jij
niet langer alleen hoeft vast te houden wat gebeurd is. Je mag het bij God
neerleggen. Dat begint er al bij door te bidden: “Heer, ik wil wel vergeven,
maar ik kan het nog niet”. Of door eerlijk te erkennen dat je nog steeds boos
bent, maar niet wilt dat die boosheid jouw hele leven bepaalt. Dat geldt ook
voor onze eigen schuld. Jezelf laten vergeven betekent niet dat je wegloopt
voor wat je gedaan hebt. Het betekent dat je gelooft dat jouw fout niet het
laatste woord over jouw leven spreekt. God geeft groeiruimte. Diezelfde
groeiruimte moeten we ook aan elkaar durven geven. De ander mag meer zijn dan
zijn slechtste moment. Zoals jij ook meer bent dan jouw grootste fout. We mogen
vallen, opstaan en weer doorgaan.
Uiteindelijk komt het hierop aan: dat we leren leven vanuit Gods barmhartigheid. God zegt niet na drie keer, zeven keer of zeventigmaal zevenmaal: nu is het wel genoeg geweest. We kunnen ons steeds weer bekeren en om vergeving vragen. Zijn barmhartigheid is altijd groter. Het begint ermee dat we inzien dat Gods barmhartigheid ook werkelijk voor ons bedoeld is. Dat je jezelf niet voor altijd gevangen houdt in wat misging en ook de ander niet vastzet. We ontvangen barmhartigheid en delen die verder uit. We hoeven haar niet zelf voort te brengen, maar mogen steeds opnieuw putten uit Gods onuitputtelijke bron. Daarom kunnen wij ook voor elkaar barmhartig zijn. Amen.
Reacties
Een reactie posten