Als
je langs een groep kinderen loopt, hoor je nog weleens dat iets niet eerlijk
is! Eentje voelt zich achtergesteld bij een spelletje of het snoepje is net wat
kleiner. Een bedrukt, rood gezicht, misschien een voorzichtige traan en het
plaatje is compleet. Van jongs af aan hebben we al een beeld van wat eerlijk en
oneerlijk is en dat roept genoeg emoties en gevoelens op. Een beetje zoals de
grote filosoof Calimero ooit verzuchtte: “Zij zijn groot en ik is klein, en
da's niet eerlijk.” Daar blijven we ons hele leven gevoelig voor. Ook als we
ouder zijn moeten zaken toch eerlijk verlopen, waarbij het natuurlijk de vraag
is wat eerlijk daadwerkelijk is. De meesten zullen het erover eens zijn dat het
eerlijk is om iets gelijkwaardig te verdelen. Al zit daar dan vaak wel de
gedachte bij dat als je meer doet, je ook meer zou mogen verwachten.
Tegelijkertijd weten we dat het leven niet altijd eerlijk is. Precies dat
brengt Jezus vandaag in het evangelie naar voren.
Eigenlijk
begint de gelijkenis die Jezus vandaag vertelt al een hoofdstuk eerder. Een
rijke jongeman vraagt aan Jezus hoe hij het eeuwig leven kan verkrijgen. Jezus
nodigt hem uit alles te verkopen wat hij bezit en dan kan hij Jezus volgen. Dit
is voor de rijke jongeman een brug te ver en verdrietig loopt hij weg, want, zo
staat er: “Hij bezit veel”. De leerlingen zijn hier getuige van en vragen zich
af wie dan nog gered kunnen worden. Petrus maakt vervolgens de rekensom en
stelt: “Zie, wij hebben alles prijsgegeven en zijn U gevolgd. Wat zullen wij
dus krijgen?” (Mt 19,27). Hierop waarschuwt de Heer hen: “Vele eersten zullen
laatsten en vele laatsten eersten zijn.” (Mt 19,30) Dan begint de gelijkenis
van de arbeiders in de wijngaard, zoals we zojuist hoorden. Opnieuw gevolgd
door: “Zo zullen de laatsten de eersten en de eersten de laatsten zijn.” (Mt
20,16) De vraag van Petrus hangt eigenlijk nog boven het evangelie van vandaag:
“Wat krijgen we?” Dit zou je misschien ook kunnen verstaan als: “Heer, we zijn
al even met U onderweg en wat levert ons dat op?” In de gelijkenis ontvangt elke arbeider
hetzelfde afgesproken loon, of je nu de hele dag in de volle zon hebt gestaan,
of net een uurtje aanwezig was. “Da’s niet eerlijk”. Al krijgen ze precies wat
ze afgesproken hebben. Daar ligt het probleem ook niet: het is de scheve blik
op wat de ander krijgt. Jezus eindigt de gelijkenis met: “Of zijt ge kwaad,
omdat ik goed ben?” Letterlijk spreekt Jezus over een “boos oog”: “Is jouw oog
boos omdat ik goed ben?” Met andere woorden: jaloers? Eigenlijk waarschuwt
Jezus de leerlingen: laat Gods goedheid voor een ander geen reden worden om
zelf scheef te gaan kijken.
God
nodigt ons uit ons te verheugen in zijn goedheid voor de ander. God kijkt
namelijk anders dan wij. Zoals in de eerste lezing klinkt: “Mijn gedachten zijn
niet uw gedachten en uw wegen zijn niet mijn wegen.” Gods rechtvaardigheid kan
schuren met onze opvattingen. Daarbij moeten we niet denken dat God oneerlijk
is. Hij geeft precies wat er afgesproken is, maar zijn logica overstijgt ons
gevoel van eerlijkheid. Wij vergelijken en kijken met een schuin oog om ons
heen. Gods goedheid voor een ander neemt niets weg van zijn goedheid voor mij.
Ook
binnen de Kerk ligt het gevaar op de loer dat we “arbeiders van het eerste uur”
worden. Je komt ergens al je hele leven en zet je in. Maar dan kunnen er mensen
komen die nieuw tot geloof gekomen zijn: met een eigen levensverhaal en
misschien wel vol vurig enthousiasme. Dat kan een gevoel oproepen van: “Zo doen
we dat hier niet!” Er kan makkelijk met een “boos oog” gekeken worden, een
oordeel is dan snel gegeven. Ook dan geldt de vraag: “Kan ik mij verheugen
omdat God deze ander geroepen heeft?” Niet dat dan per se alles goed is, maar
laten we eerst Gods werk herkennen en daar dankbaar voor zijn.
Echt
verheugen is namelijk meer dan zeggen: “Dat is leuk voor jou!” Het kan voor de
bredere gemeenschap die wij vormen ook een leerweg openen. Juist dat wat
schuurt, laat ook zien waar eigen groeiruimte ligt. In ieder geval om te
verkennen waarom iets je raakt. De ander is dan een spiegel voor de eigen
geloofsweg. Een boos oog kijkt om zich heen en vindt ergens iets van. Als
leerlingen van Jezus mogen we met een blije blik om ons heen kijken en zien hoe
God in de wereld aan het werk is. Dat betekent niet dat we alles wat gebeurt
maar goed moeten vinden, soms moeten we even praten, maar dan wel vanuit de
gedeelde vreugde die Christus in ons hart heeft gelegd. Misschien wel vanuit de
gedachte: “Zij zijn groot en ik is klein. Wat is het mooi dat Onze Lieve Heer
met ieder van ons zijn eigen weg gaat”. Amen.
Afbeelding:
“De parabel van de arbeiders in de wijngaard”, William Pethe, Rijksmuseum.

Reacties
Een reactie posten