We leven in een tijd waarin iedereen overal wel iets van lijkt te moeten vinden. Een mening is snel gegeven, een uitspraak wordt online snel gedeeld en voor je het weet is er gedoe. Mensen buitelen over elkaar heen om hun mening te geven en soms lijkt het belangrijker om je gelijk te halen dan om werkelijk naar elkaar te luisteren. Eigenlijk is dat helemaal niet zo nieuw. Ook in de tijd van Jezus waren er mensen die probeerden anderen op hun woorden te vangen. Niet omdat ze werkelijk geïnteresseerd waren in wat de ander te zeggen had, maar omdat ze iemand ergens op wilden kunnen afrekenen. Het Evangelie van vandaag laat ons zien hoe Jezus daarmee omgaat. Tegelijk houdt het ons een spiegel voor. Want hoe gemakkelijk laten wij onszelf meeslepen in allerlei tegenstellingen? Lukt het ons dan nog om te zien wat werkelijk belangrijk is?
We lezen hoe twee groepen samenspannen tegen Jezus. Aan de ene kant staan de Farizeeën. Dit zijn vrome Joden die de Wet goed kennen en zo willen volgen. Het is in hun ogen een straf dat zij bezet worden door de Romeinen en het idee dat zij belasting moeten betalen staat gelijk aan Godslastering. Aan de andere kant staan de Herodianen, de aanhangers van Herodes, zij staan positief ten opzichte van de Romeinse overheersing. Deze twee groepen zijn geen vrienden van elkaar, maar vinden elkaar in de afkeer tegen Jezus. Ze beginnen met wat vleierij. Ze vertellen Jezus dat Hij oprecht is en zich door niemand laat beïnvloeden. Vervolgens komt de vraag: is het geoorloofd om belasting te betalen aan de keizer? Het is een slimme vraag. Wanneer Jezus zegt dat ze belasting moeten betalen, zal dat bij veel Joden verkeerd vallen. Maar wanneer Hij zegt dat ze geen belasting hoeven te betalen, kan Hem worden verweten dat Hij oproept tot verzet tegen de Romeinen. Jezus lijkt geen goed antwoord te kunnen geven. Wat Hij ook zegt, iemand zal het tegen Hem gebruiken. Alleen doorziet Jezus hun bedoelingen. Hij vraagt om een belastingmunt en stelt vervolgens een wedervraag: van wie is de afbeelding op deze munt? Van de keizer, antwoorden ze. Dan volgt zijn beroemde antwoord: 'Geeft dan aan de keizer wat de keizer toekomt, en aan God wat God toekomt.' Jezus laat zich niet meeslepen in de tegenstelling die zijn tegenstanders Hem voorhouden. Hij erkent dat de keizer aanspraak kan maken op belasting, maar herinnert hen tegelijkertijd aan iets veel belangrijkers: de eerste plaats komt toe aan God.
Jezus laat zich niet vastzetten in menselijke tegenstellingen, maar brengt ons terug bij wat werkelijk telt: iedere mens draagt Gods beeld en behoort Hem toe. Er zit namelijk nog een prachtige betekenis verborgen in de vraag die Jezus stelt over het muntstuk. Van wie is de afbeelding die erop staat? In het Bijbelboek Genesis lezen we dat God de mens geschapen heeft naar zijn beeld en gelijkenis. Ieder mens draagt dus een beeltenis van God met zich mee. De heilige Augustinus zegt hierover: Als de keizer zijn eigen beeltenis op een munt zoekt, zoekt God dan niet Zijn eigen beeltenis in de mens? (cf. Enarrationes in Psalmos 94,2: Si Caesar quaerit in nummo imaginem suam, Deus non quaerit in homine imaginem suam?) De keizer krijgt zijn muntstuk, maar wat geven wij aan God? Er is genoeg te verzinnen, maar God vraagt aan ons dat wij zijn liefde leven. Hij heeft ons vanuit liefde geschapen en nodigt ons steeds weer uit om uit die liefde te putten, om te leven vanuit het dubbelgebod van de liefde. Dat zegt alles over onze verhouding tot elkaar. Want als wij allemaal naar Gods beeld geschapen zijn, dan is ieder mens kostbaar in zijn ogen.
Dat klinkt natuurlijk prachtig, maar in alle eerlijkheid is het niet altijd zo eenvoudig om in iedere mens het beeld van God te herkennen. Als iemand andere denkbeelden heeft, je kwetst. Dan is het soms gemakkelijker om iemand in een bepaald hokje te plaatsen. We horen een mening en hebben ons oordeel eigenlijk al klaar. Soms luisteren we niet eens meer naar wat iemand echt probeert te zeggen. Het betekent natuurlijk niet dat we het met iedereen eens moeten zijn of dat we alles maar moeten accepteren. Jezus doet dat zelf ook niet. Hij spreekt zijn tegenstanders juist aan op hun huichelarij. Maar Hij laat zich niet door hun houding bepalen. Dat voorbeeld moeten we navolgen. De ander is altijd meer dan zijn mening of zijn fouten. Ook die ander is Gods geliefde kind. Dat geldt evengoed voor onszelf. Ook wanneer wij tekortschieten of worstelen met ons geloof, blijft God ons zien als zijn geliefde kinderen.
Als leerlingen
van de Heer worden we uitgenodigd om vanuit die liefde te leven. Om niet alleen
te kijken naar wat iemand zegt of doet, maar ook te blijven zien wie die ander
ten diepste is. Dat begint met luisteren. In onze Kerk spreken we tegenwoordig
veel over synodaliteit, wat letterlijk 'samen op weg gaan' betekent. Daar hoort
ook bij dat we leren luisteren naar elkaar en naar de heilige Geest. Dat is
gemakkelijker gezegd dan gedaan. Afgelopen vrijdag waren we met enkele
medegelovigen bij een inspiratiebijeenkomst waarbij we dat mochten oefenen.
Echt luisteren, zonder ondertussen al na te denken over wat je zelf wilt
zeggen. Luisteren om werkelijk te horen wat de ander probeert te vertellen. Dit
is helemaal niet zo eenvoudig. Maar juist door werkelijk naar elkaar te
luisteren, geven we de ander de ruimte en kunnen we ontdekken wat God ons door
die ander misschien wil zeggen. Daar moeten we steeds verder in groeien en de
inspiratie vragen van de H. Geest. Zo krijgt de opdracht van Jezus ook in ons
leven betekenis: geef aan God wat aan God toekomt. Wij mogen onszelf aan Hem
toevertrouwen. Met alles wat goed gaat, maar ook met onze fouten en
tekortkomingen. En juist vanuit die verbondenheid met Hem mogen wij proberen
zijn liefde zichtbaar te maken in de wereld om ons heen. Want de keizer mag dan
zijn afbeelding op een muntstuk hebben staan, God heeft zijn beeld in ieder van
ons gelegd. Die liefde mogen we steeds verder zichtbaar maken. Amen.

Reacties
Een reactie posten